Make your own free website on Tripod.com







Carlo Gambino


























































Naam: Carlo Gambino
Bijnaam: Don Carlo
Familie: Gambino
Geboren: 24-08-1902
Geboorteplaats: Palermo
Gestorven: 15-10-1976






carlo_gambino.jpg













































Carlo Gambino werd op 24 augustus 1902 geboren in Palermo, Sicilië. Hij werd geboren in een rijke familie, waarvan vele mafiosi waren. Carlo werd op z’n 19e zelf ook een mafioso, en werkte voor de op dat moment machtigste mafiabaas van Sicilië, don Vito Cascio Ferro. Maar Carlo vluchtte in 1921 voor de fascistische Mussolini, die zei dat hij de mafia zou vernietigen, en vertrok met toestemming van zijn baas naar Amerika. Daar vestigde hij zich in Brooklyn, New York, bij familie die daar al langer woonde, de Castellano’s. Hij sloot zich samen met de gebroeders Castellano, zijn neefjes Peter en Paul, aan bij de machtigste Italiaanse bendeleider van dat moment, Joe Masseria.
Aan het eind van de jaren 1920 brak de Castellamarese Oorlog uit. Die oorlog ging tussen Gambino’s baas, Masseria, en een rivaal uit Castellamare del Golfo, Salvatore Maranzano, die volgens sommigen gestuurd was door Gambino’s voormalige baas don Vito Cascio Ferro om dat Amerikaanse mafia te organiseren en onder zijn leiding te brengen. Voordat hij dat plan kon realiseren stierf Vito. Maranzano won uiteindelijk de oorlog door de hulp van Charlie ‘Lucky’ Luciano, de onderbaas van Masseria. Luciano besloot Masseria uit de weg te ruimen, en Maranzano werd dé baas van de Amerikaanse mafia. Die positie hield hij overigens maar 6 maanden, toen hij ook vermoord werd door Luciano.
Gambino had de oorlog overleefd, en was na het verlies van Masseria, zoals bijna iedereen in de familie, overgelopen naar Maranzano. Maranzano had voor zijn dood New York verdeeld over 5 families. De familie waar Gambino in kwam stond onder leiding van Vincent Mangano en kreeg het territorium van de voormalige Totò D’Aquila-, en later Al Mineo-bende. Carlo werd, op 29-jarige leeftijd, caporegime in de familie van Vince Mangano. Gambino nam Paul Castellano op in zijn crew. Een jaar later, in 1932, trouwde hij Paul Castellano’s zus en z’n eigen nichtje, Catherina Castellano. Ze kregen samen drie zonen (Thomas, Joseph en Carl) en een dochter (Phillys). Ze woonde in een bescheiden rijtjeshuis in Brooklyn. Het enige bewijs van zijn rijkdom was het nummerbord van zijn Buick, waarop ‘CG1’ stond. Carlo stond bekend als een goede huisvader, die altijd goed was voor zijn vrouw (en nichtje).
Tijdens de tweede Wereld Oorlog begaf Carlo Gambino zich op de zwarte markt. Hij liet bonboekjes stelen en verkocht die. Aangezien er veel van die bonboekjes gestolen werden, werden ze nu veiliger opgeborgd. Ze werden bewaard in de kluizen van de banken van New York, en waren bijna niet te stelen. Maar Gambino had een oplossing. Hij kocht de managers en de bewakers van de bank om, en een van zijn soldaten liep zo met de bonboekjes de bank uit. Carlo Gambino verdiende hierdoor miljoenen.
In 1951 werden de gebroeders Mangano (Vince en Phil) vermoord door Albert Anastasia, die de nieuwe leider van de familie werd. Anastasia promoveerde Carlo tot onderbaas, wat veel mensen in de onderwereld verbaasde. Carlo mocht dan wel slim zijn en veel geld verdienen, hij werd door de meeste in de onderwereld aangezien voor een lafaard. Maar volgens de meeste was dat nou juist de reden waarom Anastasia hem tot onderbaas benoemde. Joseph Bonanno noemde Gambino "a squirrel of a man, a servile and cringing individual". ‘Squirrel’ betekent eekhoorn, ‘servile’ slaafs, en ‘cringing’ betekent onderdanig. Hiervan gaf Bonanno ook een voorbeeld: "Toen Albert nog leefde gebruikte hij hem als een slaaf, en liet hem boodschappen voor hem doen. Ik zag Albert een keer zo kwaad worden op Carlo omdat die een opdracht had verprutst dat Albert zijn hand ophief en hem bijna sloeg…..Een andere man zou zo’n publieke vernedering niet hebben getolereerd. Carlo glimlachte." Maar Carlo gaf er de voorkeur aan om onderschat te worden. Dat kwam hem zes jaar later weer van pas.
Vito Genovese had al succes geboekt in zijn reis naar de top van de mafia. Hij had zijn baas, Frank Costello, gedwongen met ‘pensioen’ gestuurd en was nu zelf leider van de familie, die later bekend zou komen te staan als de Genovese-familie. Maar Vito’s machtshonger was nog niet gestild. Hij wilde dé grootste en machtigste mafiabaas van New York, en daarmee heel Amerika, worden. Maar daarvoor moest hij zijn tegenstander, en voormalig bondgenoot van Costello, Albert Anastasia uit de weg ruimen. Genovese had al een bondgenoot in Tommy Lucchese, maar Anastasia bleef een bedreiging en een obstakel voor Vito’s droom om boss of bosses te worden. Gambino werd benaderd door Genovese om zijn baas Anastasia uit de weg zou ruimen zodat hij de nieuwe baas kon zijn. Genovese dacht dat hij Gambino makkelijk onder zijn invloed kon houden. Gambino ging met het moordplan naar Joe Profaci, die altijd al een hekel had gehad aan Anastasia. Vito Genovese keurde Gambino’s plan goed. Maar het was nog niet zo makkelijk Anastasia te vermoorden. Hij wist dat Genovese achter hem aanzat, aangezien hij zijn onderbaas Frank Scalise ook al had laten vermoorden. En daarom werd Anastasia zeer voorzichtig en kwam zijn huis bijna niet meer uit. Maar Anastasia had bepaalde gewoontes. Hij ging altijd naar dezelfde kapper in Manhattan. Daar werd Anastasia vermoord terwijl hij in de kappersstoel zat.
Op 14 november zou de Apalachin-meeting worden gehouden. Carlo Gambino zou dan naar alle waarschijnlijkheid tot opvolger van Anastasia worden benoemd, en Vito Genovese wilde zich laten benoemen tot ‘boss of bosses’. De bijeenkomst werd echter een fiasco, de politie kreeg er namelijk lucht van en pleegde in inval. Vito Genovese, die de bijeenkomst had georganiseerd, werd al schuldige benoemd. Genovese werd niet benoemd tot ‘boss of bosses’, maar werd door de politie in hechtenis genomen. Hij was het mikpunt van spot, een lachertje. Dit verzwakte zijn aanzien. Ook Carlo Gambino kon dus niet tot hoofd van de Anastasia-familie worden benoemd. Maar Genovese riep kort na de bijeenkomst in Apalachin de Newyorkse bazen bij elkaar, waarbij werd besloten Carlo Gambino tot hoofd van de familie te maken. Vito Genovese werd echter niet benoemd tot ‘boss of bosses’. Carlo Gambino benoemde Joe Biondo tot zijn onderbaas, Joe Riccobono tot zijn consigliere, en zijn broer Paul Gambino en zijn neef en zwager Paul Castellano tot caporegimes. Ook liet hij een caporegime, John ‘Johnny Roberts’ Ribilotto, en een van diens soldaten, Armand ‘Tommy’ Rava vermoorden. Er ging het gerucht dat ze beide wraak wilden nemen voor de moord op Anastasia.
Vrijwel direct nadat hij de leiding over zijn familie had verworven begon hij Genovese’s val te beramen. Volgens vele zat Gambino zelfs achter het fiasco van Apalachin. Hij zou samen met Frank Costello, Lucky Luciano en Meyer Lansky (allen niet aanwezig op de bijeenkomst) hebben besloten de politie te tippen. Wat deze gedachten waarschijnlijker maakt is ook de afwezigheid van Costello’s en Lansky’s bondgenoten Carlos Marcello en Joseph ‘Doc’ Stacher. Luciano, Lansky en Costello waren alledrie tegenstanders van Genovese, en wilde voorkomen dat hij tot ‘boss of bosses’ werd benoemd, en konden op deze manier Genovese’s aanzien en prestige wat omlaag brengen (aanzien en prestige zijn belangrijke factoren voor het gezag van een mafiabaas). Maar als de bijeenkomst getipt zou zijn aan de politie, waarom verscheen Gambino dan wel op de bijeenkomst? Het meest logische antwoord hierop is dat het anders misschien té opvallend zou zijn, als alle bondgenoten van de groep Luciano-Lansky-Costello niet aanwezig zouden zijn. Rond die tijd waren er geen redenen om aan te nemen dat Gambino zich bij de oppositie van Genovese had geschaard, maar die zouden er na de inval wél komen als ook Carlo niet aanwezig zou zijn. Vooral omdat de kroning van Gambino tot baas van zijn familie een belangrijk agendapunt was. Hij kon simpelweg niet ontbreken Een ander antwoord zou kunnen zijn dat Gambino niks van het plan wist van Luciano, Costello en Lansky. Maar dat Gambino een paar jaar later wél met die drie meewerkte in het achter de tralies zette van Genovese maakt die theorie weer onwaarschijnlijker.
Of de politie nu getipt werd of dat ze toevallig lucht kregen van de bijeenkomst, de politie deed een inval en het werd een fiasco voor de mafia, en in het speciaal voor Genovese. Maar nu over het plan van Costello, Lansky, Luciano en Gambino op Genovese achter slot en grendel te krijgen. Ze besloten een Puetroricaanse drugsdealer, Nelson Cantellops, om te kopen om te getuigen tegen Vito Genovese. Nelson Cantellops beweerde dat hij Genovese grote hoeveelheden drugs had zien kopen, en hij beschikte over genoeg betrouwbare gegevens om Genovese achter de tralies te krijgen. Genovese kreeg een gevangenisstraf voor 15 jaar, en stierf in de gevangenis na 10 jaar, in 1969. Hij hield tot op dat moment wel de leiding over zijn familie, maar de macht van zijn familie nam danig af.
Dat mafiabazen niet in drugs handelen is onzin. Ook don Carlo zat er middenin. Lucky Luciano, die in ballingschap in Italië leefde, was een grote drugshandelaar geworden. Hij betrok Carlo Gambino in het grootschalig smokkelen van heroïne. Een ontmoeting tussen beide was alleen zeer risicovol. Luciano mocht Italië niet verlaten, hoewel hij dat wel gedaan had in 1946 voor een meeting op Cuba. De Amerikaanse overheid kreeg lucht van zijn afwezigheid en dwong de Cubaanse regering hem terug naar Italië te sturen. Als Luciano werd ontdekt in Amerika zou hij weer in de gevangenis belanden. Maar ook voor don Carlo was het niet gemakkelijk om naar Italië te gaan. Het ernaartoe gaan was geen probleem, maar het terugkeren wel. Aangezien hij illegaal in Amerika was, was er het risico dat als de Amerikaanse overheid lucht kreeg van Gambino’s afwezigheid hij het land niet meer in kon bij zijn terugkeer. Toch waagde Gambino in 1948 de oversteek over de Atlantische Oceaan. Hij reisde met zijn broer Paul naar Canada en stapte in Toronto op een vrachtboot naar Sicilië. In Palermo besloten ze samen in de heroïnehandel te gaan. Gambino’s onderbaas Joe Biondo kreeg de leiding over de heroïnesmokkelorganisatie.
In 1962 trouwde Carlo’s zoon, Tommy, met Tommy Lucchese’s dochter, Frances. Dit huwelijk versterkte de vriendschap tussen de twee Newyorkse familiebazen. Gambino kreeg een aandeel in de goudmijn van de Lucchese-familie, Idlewild Airport (later JFK). Tommy Lucchese had via zijn invloedrijke caporegimes Anthony ‘Tony Ducks’ Corallo en John ‘Johnny Dio’ Dioguardia controle over de vakbonden van het personeel in en om het vliegveld. Local 295, de Internationale Broederschap van Transporteurs, vertegenwoordigde vijftienhonderd laders en lossers op het vliegveld en de Nationale Bond van Luchtvrachtvervoer was verantwoordelijk voor het transport van en naar het vliegveld. De wiseguys kaapte de vrachtwagens, wat ook te zien is in de film ‘GoodFellas’, het verhaal over het leven van de Lucchese associate Henry Hill. Met de Gambino’s als partner jaagde ze samen met de Lucchese’s alle concurrentie van het vliegveld. Toen Lucchese in 1967 stierf aan een hersentumor, werd het vliegveld een van Gambino’s meest lucratieve inkomstenbronnen.
Via de luchtpost kwamen ook aandelen en obligaties aan op het vliegveld. Omdat de chauffeurs en transporteurs een deel kregen van de buit tipte zij de wiseguys als er een goede lading aankwam. Zo ook bij ladingen aandelen. De Gambino’s stalen ze en Carlo’s caporegime Carmine ‘The Doctor’ Lombardozzi verhandelde ze, die ook een specialist was in het manipuleren van beurskoersen.
Maar Carlo breidde het territorium van zijn familie nog verder uit. Hij vergrote ook de aanwezigheid van zijn familie in de vakbond voor vrachtwagenchauffeurs, de Teamster Union. De kledingindustrie van Manhattan viel ook ten prooi aan de Gambino-familie, net als de afvalverwerking in al de vijf boroughs van New York. Ook verstevigde don Carlo de macht van zijn familie in de haven van Brooklyn.
Na de dood van Anthony ‘Tough Tony’ Anastasio, Albert Anastasia’s broer, werd zijn schoonzoon Anthony ‘Young Tony’ Scotto de nieuwe leider van de haven. Hij nam de leiding over Local 1814, en werd vice-voorzitter van de zestienduizend leden tellende International Longshoreman’s Associaten (ILA). Tony Scotto was een caporegime in de Gambino-familie, waardoor Carlo Gambino de macht over de haven kreeg. Toen de haven onder leiding stond van Tough Tony Anastasio was dat nog niet het geval. Tony verdacht Carlo ervan achter de moord op zijn broer Albert te zitten en hield grote sommen geld die hij in de haven had verdiend achtergehouden. Carlo kreeg dus na de moord op Anastasia wel de controle over diens misdaadfamilie, maar niet over de haven. Maar met de dood van Anastasio kreeg Carlo Gambino nu wel de macht over een grote inkomstenbron.
Met al dat geld wat Carlo verdiende kocht hij allerlei legale zaken als pizzeria’s, restaurants, vleesmarkten, bouwfirma’s, transport van benzine en nachtclubs. Die gebruikte hij om veel van zijn zwarte geld wit te wassen. Gambino hield zo van het zakendoen dat hij samen met twee bedrijfsconsulenten, Henry Saltzstein en George Schiller, de firma SGS (Saltzstein, Gambino & Schiller) Associates oprichtten, die bedrijfsadviezen verstrekte. Gambino’s honorarium per consult bedroeg zo’n veertigduizend dollar. Als je kijkt naar het zakelijke succes van Gambino is het moeilijk te begrijpen dat hij nooit zijn middelbare school (het Liceo op Sicilië) heeft afgemaakt, hij nooit een beroepsopleiding heeft gevolgd, hij nooit een Amerikaans staatsburger was geworden en dat hij nooit behoorlijk Engels leerde spreken. Veel mensen geloven dat als Gambino een beetje een opleiding had gevolgd en hij zich uitsluitend met legale zaken zou hebben bezig gehouden, hij een zeer succesvolle zakenman zou zijn geworden. Maar is dat wel zo? Hij had er het talent voor, dat is zeker. Maar het feit dat hij van Italiaanse (Siciliaanse) afkomst is zou dit waarschijnlijk in de weg hebben gestaan. Maar wat wel zeker is, is dat Carlo geen legale zakenman is geworden maar een gangster. En een verschil daartussen is dat bloed en moorden onlosmakelijk met een gangster verbonden zijn, vooral in gangsteroorlogen.
In de jaren 1960 heerste er onvrede bij de mafiabazen Joseph Bonanno (leider van de Bonanno-familie) en Joe Magliocco, kersverse opvolger van Joe Profaci. Zij waren de leiders van de twee kleinste families van New York en wilde meer macht. Joseph Bonanno ging naar Magliocco toe met het voorstel de hoofden van de commissie te vermoorden. Hij wilde Carlo Gambino, Tommy Lucchese en zijn eigen neef, de baas van Buffalo, Steve Maggadino koud laten maken. Magliocco gaf de opdracht aan zijn caporegime Joe Colombo. Maar hij verraadde het plan aan de toekomstige slachtoffers. De commissie besloot dat als straf Joe Magliocco zich moest terugtrekken, aangezien zijn gezondheid slecht was verwachtte zei dat hij toch sowieso binnenkort zou sterven. Bonanno weigerde echter voor de commissie te verschijnen en op hun eis in te gaan terug te trekken op hun voorwaarden. Bonanno wilde zich wel terugtrekken op de voorwaarde dat zijn zoon Salvatore ‘Bill’ Bonanno hem zou opvolgen. De commissie trapte hier niet in, ze verwachtte dat Joe Bonanno met zijn zoon als baas van de familie nog steeds de controle zou houden. In plaats daarvan stelde ze Gaspare DiGregorio aan als hoofd van de Bonanno-familie, wat tot gevolg had dat de ‘Banana-war’ uitbrak. Een oorlog in de Bonanno-familie tussen voorstanders van Gaspare DiGregorio en voorstanders van Joseph Bonanno (en daarmee dus ook zijn zoon Bill). Toen Bonanno hartproblemen kreeg trok hij zich terug, en zijn zoon Bill werd niet de baas van de familie. Daarmee eindigde de oorlog. Gambino drong erop aan dat Joe Colombo, die het plan had verraadde, als beloning het hoofd van de Profaci-familie moest worden. Naar Gambino werd geluisterd en Colombo werd de baas. Hij was echter volgens vele niet geschikt als baas en stond eigelijk onder leiding van Carlo Gambino. Net als met de dood van Tommy Lucchese, toen Gambino Carmine ‘Mr. Gribbs’ Tramunti benoemde als opvolger, had hij een stroman geïnstalleerd in een andere familie die loyaal zou zijn aan hem. Ook met de dood van Vito Genovese in 1969, was Tommy Eboli min of meer afhankelijk van Gambino aangezien hij totaal niet geschikt was voor het leiden van een mafiafamilie. Gambino had in drie van de vier andere families een vinger in de pap.
OP 28 juni 1971 werd Joe Colombo, die eerder Gambino had gewaarschuwd dat hij vermoord zou worden, beschoten uit opdracht van diezelfde Carlo Gambino. Hij overleed pas 7 jaar later, en lag in die tussentijd in coma. Joe Colombo stond aan het hoofd van een organisatie die zich de Italian-American Cicil Rights League (Italiaans-Amerikaanse Liga voor Gelijkberechting) noemde en protesteerde tegen het slechte imago dat de Italiaanse Amerikanen opgespeld kregen door onder andere de FBI. Joe Colombo werd hierdoor een media-icoon. Carlo Gambino had hem opgedragen ermee te stoppen, maar Colombo weigerde brutaal. Gambino accepteerde dat niet en liet hem vermoorden. Carmine Persico werd zijn opvolger, maar die zat in de gevangenis. Een acting-boss moest worden benoemd door de commissie. Hij beveelde zijn peetzoon Vincent Aloi, en aangezien Carlo Gambino de machtigste mafiabaas van Amerika was durfde niemand tegen zijn voorstel in te gaan. Wederom had hij een loyalist als baas van een andere mafiafamilie.
Een maand na de aanslag op Joe Colombo overleed Carlo Gambino’s vrouw en nichtje Catherina aan kanker. Ze was al langere tijd ziek en stierf in huis. Mevrouw Gambino stond bekend als een lieve, zorgzame vrouw. Tegen iedereen die hun huis kwam bezoeken, of het nou vrienden, mafiosi of FBI-agenten waren, was ze even gastvrij. Ze was zo geliefd dat op haar begrafenis zo’n 1000 mensen aanwezig was. Maar ook haar man was onder de bevolking geliefd. Het café Biondo, aan Mulberry Street in Little Italy, gebruikte hij om gunsten uit te delen onder de armere Italiaanse bevolking. Ze kregen geld, er werd een baan voor ze geregeld of er werd iemand een aframmeling gegeven. Er stond altijd een lange rij om een gunst te vragen aan Carlo Gambino in het café van zijn onderbaas, Joe Biondo. Carlo Gambino had in de begin jaren 1970 duizenden mensen die bij hem in het krijt stonden. Ook veel van zijn caporegimes verleende gunsten uit. De mensen hielden en respecteerden Carlo.
Sommige gangsters respecteerden don Carlo niet genoeg om het na te laten zijn neefje Manny Gambino te ontvoeren. Ze eiste $350.000 van de mafiabaas. Toen hij met $100.000 over de brug kwam, vermoorde de kidnappers zijn neefje. John Gotti kreeg de opdracht de dood van Carlo’s neefje te wreken. James McBratney, die een naam had wiseguys te ontvoeren, werd vermoord hoewel hij, zo bleek later, niks met de ontvoering van Carlo’s neefje te maken had.
Maar behalve gangsters zat ook de FBI achter don Carlo aan. Zij wisten dat hij aan het hoofd stond van een grote criminele organisatie. Aangezien hij illegaal in het land was wilde ze hem deporteren naar Italië. Zijn hartproblemen voorkwamen dit echter, hij was niet in staat de reis te maken. Zijn gezondheid verslechterde in rap tempo. Zijn dood zat eraan te komen, en hij besloot een opvolger te benoemen voor het geval dat hij stierf. De keuze zou op de rasechte gangster Neil Dellacroce moeten vallen, maar Carlo passeerde hem. Dit tot onvrede van vele soldaten want iedereen hield van Dellacroce. Wat Carlo waarschijnlijk als rede gaf voor het passeren van Dellacroce, was dat hij al bekend was bij de FBI. Zijn neef en zwager Paul Castellano daarentegen, was minder bekend. Paul Castellano werd baas met als voorwaarde dat Carlo’s zoon, Tommy, hem zou opvolgen. Als troost gaf Carlo Dellacroce de leiding over de meest lucratieve operaties in Manhattan. Dit schepte dus een machtige factie binnen de familie, die de oorlog aan kon gaan met de Castellano-factie. Dellacroce dit deed echter niet, het woord van de baas was wet, ook al was die dood.
Carlo Gambino stierf aan een hartaanval op 15 oktober 1976 in zijn zomerhuis in Massapequa, op Long Island. Hij was in zijn slaap in zijn eigen bed gestorven, wat niet vaak voorkwam bij mafiosi, en vooral niet bij mafiabazen. Een fabeltje is dat hij stierf tijdens het kijken van een wedstrijd van de Yankees. Feit is dat de Yankees op die dag geen wedstrijd speelden. Zijn begrafenis werd een groot evenement, met honderd volgauto’s en in totaal zo’n duizend aanwezigen. Onder de aanwezigen waren mafiosi, vrienden, politieke kopstukken en hoge politiefunctionarissen. Don Carlo Gambino was één van de machtigste, misschien wel dé machtigste mafiabazen die Amerika ooit gekend heeft.

 

carlo-gambino-3.jpg